Al wandelend langs de kade kreeg hij een inval. Het idee overviel hem als een schok die zijn brein in een uiterst helder licht zette. Het was een scherpzinnige, stoutmoedige gedachte die de verhoudingen tussen de dingen een lichte draai gaf, zodat alles een beetje scheef kwam te staan, maar bij nader inzien besefte je dat alles juister was zo. Liefde, geld, wereld, tijd: alles leek door dit idee inniger met elkaar in verband te staan dan ooit mogelijk werd geacht.
De gedachte zat gespannen aan de oppervlakte, hij moest haar alleen nog maar bevrijden met de juiste woorden. Voor zulke gevallen had hij altijd een notitieboekje bij zich, maar het was te koud om stil te blijven staan.
Gelukkig stond hij vlakbij een café. Op het uithangbord prijkte een biermerklogo dat al een hele tijd niet meer in gebruik was. Hij moest goed duwen om de deur te openen. De wanden waren volgestouwd met prullen: verroeste wegwijzers met namen van verdwenen havendorpjes, christusbeeldjes, een krijtbord met de stand van de lokale voetbalploeg.
Hij vroeg om een koffie en haalde zijn notitieboekje te voorschijn. Hij noteerde: ‘Het is nu eenmaal zo dat…’. De lokale ploeg had vorig weekend met 5-0 verloren. Twee mannen aan de toog lachten luid en riepen: ‘Het zal wel de wind geweest zijn.’
Hij zag zijn inval voor zich als een bel olijfolie in een glas water: alle schakeringen en details verschenen heel duidelijk aan zijn netvlies, maar als hij de stap naar een beschrijving met woorden wou zetten, drukte de gedachte zich samen en verscheen ze dadelijk weer vlak naast zijn vingers, plagerig intact. Hij vermande zich, doorstreepte de eerste aanzet, en herbegon. ‘We hebben lang gedacht dat…’.
Hij hief zijn pen op. Een pegel bierschuim dreigde van de snor van een stamgast te vallen.
