Iedereen praatte erover. Dat het nog zo uitzonderlijk warm was voor eind oktober.
We stonden in groepjes op Irina’s terras. Het zonlicht viel schuin op ons, maar was gul en warm. De irissen van de vrouwen flonkerden in verschillende kleuren, en een rosse schijn gloeide in de baarden van de mannen. Irina had haar wollen cardigan uitgetrokken en hield hem opgevouwen voor zich. Het enige verschil met een typische zomerstemming was dat we goed beseften dat we morgen allemaal weer aan het werk moesten. Misschien dat we daarom luider lachten dan anders. De glazen glinsterden in handen die meebewogen op het ritme van de conversatie.
En toen gebeurde iets wat ons niet had mogen verrassen, maar het natuurlijk toch deed. Een front van dikke blauwgrijze wolken schoof onhoorbaar over de zon en een kille bries maakte zich dadelijk meester over het terras. De mannen schoven hun hemdsmouwen naar beneden. ‘Laten we het laatste hapje binnen opeten,’ stelde Irina voor.
In de keuken hing een vreemde schemer. Was dat het daglicht dat zo vroeg in de namiddag al afnam, of was Irina’s huis nogal donker? Ik zag de schaduwen onder de ogen van mijn vrienden; misschien waren we oud geworden. We praatten bedeesder.
Ik nam abrupt afscheid. Eenmaal buiten wou ik dat ik mijn jas had meegenomen. Hopelijk kwam er gauw regen, en echte kou, maandenlang, die ons eindelijk de zomer zou doen vergeten.
