Madrigaal

‘De weiden lachen en de hemel klaart op,’ zei hij net na onze eerste kus, en ik moest lachen. ‘Lieve zoete tong, geef me al uw vocht, dat ik sterf van zoetheid in mijn borst,’ zuchtte hij eens. Ik duwde mijn hele lijf tegen hem aan, ik vond het allemaal prachtig.

Ik had hem leren kennen na een concert van madrigalen. Er stonden alleen vijf zangers op het podium. Ik volgde gefascineerd hun stemmen die soms voor elkaar op de vlucht gingen en zich soms in elkaar verstrengelden. Ik hoorde opwellingen die als windstoten de melodieën deden opwaaien. Ergens tussen mijn ribben zat een week stuk vlees dat meedeinde met elke delicate toonwisseling. Het was net daar waar ik soms een vage pijnlijke druk voelde, een jongvolwassen hang naar reizen, puurheid, emotie.

Met dat ontstoken stuk vlees hoog in mijn borst was ik achteraf de foyer binnengegaan. Daar stond hij alleen, met een ‘ernstige glimlach’, zoals ik later tegen hem zei.

In zijn bed omgeven door muren van boeken waande ik me in een wereld waar de woorden klopten met de werkelijkheid.

We praatten niet veel. Soms schoof hij op zijn overvolle keukentafel wat dingen opzij, legde een boek open, en begon voor te lezen. Nachtegalen en opwaaiende haren en doodsverlangen. Zijn ietwat zurige adem deed me denken aan vergeeld papier. Het was altijd ik die kookte, in die keuken vol boeken en planten. Ik vroeg me soms af hoe de planten niet waren doodgegaan voor ik in zijn leven kwam.

Het duurde enkele maanden. Toen ik voor de laatste keer zijn deur uitging, troostte ik me dat hij nu wel iets madrigalesk zou zitten murmelen. ‘O, triest hart, dat Liefdes heerschappij pracht verleent.’ 

Plaats een reactie